Problemen met inloggen?
Stuur een mailtje naar communicatie@ovsg.be
(Vermeld duidelijk over welk platform het gaat.)

 

Reactie van OVSG op de discussietekst over de inhoudelijke vernieuwing dko (tweede nota)

maandag 3 december 2012

OVSG heeft de discussietekst ‘Inhoudelijke vernieuwing DKO – tweede nota’ met veel aandacht doorgenomen en afgetoetst bij het vast bureau van de bestuurders en in het directeurenplatform. De grote principes van deze discussietekst lijken ons een goed uitgangspunt om een nieuw decreet vorm te geven. Maar bij diverse items formuleren we kritische bedenkingen. De verhoging van het inschrijvingsgeld en de timing voor de implementatie baren ons grote zorgen. Bovendien ontbreken een aantal essentiële sleutels om de tekst in zijn totaliteit te kunnen beoordelen.

Globaal genomen kunnen we ons vinden in de grote lijnen. Het verheugt ons vast te stellen dat op meerdere punten tegemoet wordt gekomen aan een aantal van onze cruciale vragen. Het deeltijds kunstonderwijs blijft stevig verankerd binnen onderwijs, maar blijft een specifieke vorm van onderwijs, gericht op levenslang en levensbreed leren. Positieve elementen zijn de minimumleeftijd van 6 jaar voor alle studierichtingen/domeinen, een middenkader via een puntenenveloppe voor beleids- en ondersteunend personeel, meer samenwerkingsmogelijkheden, meer flexibele leertrajecten, de getuigschriften DKO die worden opgenomen in de Vlaamse Kwalificatiestructuur ...

We zijn ook verheugd te vernemen dat een werkgroep zich zal buigen over de administratieve vereenvoudiging van de geldstromen inschrijvingsgeld – werkingsmiddelen.

Het blijft afwachten hoe deze denkpistes zullen worden vertaald in de regelgeving.

Kritische bedenkingen

1. Inschrijvingsgeld (meest cruciaal!)

  • De verhoging van het inschrijvingsgeld is té drastisch (verdubbeling van de gewone tarieven om het sociale tarief te verlagen tot onder het huidige tarief). We gaan akkoord met de tweedeling gewoon tarief – sociaal tarief, maar vinden het verschil te groot; de bedragen moeten vanuit beide richtingen dichter bij elkaar komen te liggen.
  • Kan op een wetenschappelijke manier worden aangetoond welke impact de voorgestelde verhoging zal hebben op het aantal inschrijvingen? Graag krijgen we hierover een wetenschappelijke onderbouwing. Is hierbij rekening gehouden met de huidige economische situatie?
  • De redenering komt niet correct over en vereist een grondige bijsturing.
    • De vooropgestelde publiek/private kostenverhouding van 88 tegen 12% is erg arbitrair. Er is geen rekening gehouden met de niet te onderschatten input van gemeentebesturen. Inwoners dragen via de gemeentelijke belastingen op een substantiële wijze bij aan de financiering van het DKO. Daar wordt geen rekening mee gehouden.
    • Het is niet correct om ons DKO te vergelijken met het buitenland of met de vrijetijdssector. Het deeltijds kunstonderwijs kan enkel worden vergeleken met de andere onderwijsniveaus in Vlaanderen (volwassenenonderwijs, hoger onderwijs,…). Dit zou bovendien moeten gekoppeld worden aan de duur van het leertraject.
  • Het inschrijvingsgeld moet afgestemd worden op bestaande systemen zoals educatief verlof, opleidingscheques, ...
  • Wij betreuren dat slechts een fractie van het inschrijvingsgeld terugvloeit naar de inrichtende machten, in tegenstelling tot het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs. We vragen om deze lijn door te trekken naar het DKO zodat elke verhoging van het inschrijvingsgeld rechtstreeks naar de inrichtende macht gaat, zonder tussenechelons. Zo kan een stevig lokaal beleid worden gevoerd.
  • Voorstellen
    • Het inschrijvingsgeld differentiëren op basis van het leertraject
      • en lager inschrijvingsgeld in de eerste en tweede graad, eventueel ook gradueel stijgend in derde en vierde graad (en eventueel doorstroom)
      • hoger inschrijvingsgeld voor het versnelde leertraject, wat lager inschrijvingsgeld voor gespreid leertraject zodat leerlingen gestimuleerd worden om het modeltraject te volgen.
    • Afstappen van de datum waarop het inschrijvingsgeld moet worden doorgestort zodat inrichtende machten die dit wensen, een systeem van gespreide betaling kunnen uitwerken. De inschrijvingsdatum blijft ongewijzigd.
    • Minder uitgesproken sociaal tarief: verhogen van de sociale tarieven zodat de inrichtende macht lokaal zelf een doelgroepenbeleid en gelijkekansenbeleid kan ontwikkelen om op maat van de lokale situatie de meest geschikte instrumenten in te zetten (toelagen of andere faciliteiten).
    • Overwegen om voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs enkel het sociaal tarief aan te rekenen als ze voldoen aan de graadmeter van de financiële draagkracht. We gaan akkoord om het inschrijvingsgeld voor deze leerlingen sowieso niet door te storten naar de Vlaamse overheid zodat de inrichtende macht lokaal meer slagkracht krijgt om zelf een doelgroepenbeleid te ontwikkelen.
    • We willen de korting voor het volgen van een tweede opleiding voor alle leerlingen behouden, zeker binnen een tweede domein omdat dit de interdisciplinariteit ten goede komt.
    • De gezinskorting niet alleen toepassen voor jongeren, maar ook voor volwassenen.
    • Bij de federale overheid bepleiten dat op zijn minst voor alle arbeidsmarktgerichte opleidingen opleidingscheques kunnen worden gebruikt.

Elke aanpassing van het inschrijvingsgeld moet geëvalueerd worden, waarbij de impact van de nieuwe inschrijvingsgelden op het leerlingenaantal wordt geanalyseerd en waarbij het inschrijvingsgeld kan worden aangepast indien dit heeft geleid tot een daling van het totaal aantal leerlingen.

2. PPS-fonds voor duurzame materialen

We stellen de meerwaarde van het voorgestelde PPS-fonds in vraag en hebben bedenkingen bij de operationaliteit ervan: hoe zullen de fondsen worden verzameld, hoeveel middelen zullen er in dit fonds zitten, hoe zullen ze worden verdeeld? We vrezen grote planlast terwijl de meeste inrichtende machten nu al een grote verantwoordelijkheid hierin opnemen. Zo’n fonds heeft bovendien een budgettaire impact.
Als alternatief voor het PPS-fonds stellen we voor om rechtstreeks meer middelen ter beschikking te stellen aan de inrichtende machten. Zo kunnen ze zelf een gelijkekansenbeleid realiseren op maat van de lokale situatie. Dit garandeert bovendien een gelijke behandeling van de netten. Een ander deel van het budget dat voor dit PPS-fonds zou worden vrijgemaakt, kan worden benut om de inschrijvingsgelden te temperen.

3. Kunstacademie

We begrijpen de redenering om tegen 2020 kunstacademies te verplichten. Om een domeinoverstijgend aanbod te kunnen realiseren, stellen we als overgangsmaatregel voor dat academies van verschillende, aaneensluitende inrichtende machten een samenwerkingsverband kunnen aangaan, zonder daarbij een bovenlokaal bestuurlijk orgaan op te richten en zonder hiervoor extra omkadering te krijgen. Deze overgangsmaatregel zou eindigen in 2020.

4. Vestigingsplaatsen

In de nota is er sprake van programmatie- en rationalisatienormen voor vestigingsplaatsen. Een gemeente die DKO organiseert, heeft wat ons betreft de expliciete opdracht om met haar middelen in haar werkingsgebied een zodanig aanbod uit te bouwen dat de burgers van iedere gemeente toegang kunnen krijgen tot deeltijds kunstonderwijs. Het is belangrijk dat de inrichtende macht voldoende tools krijgt om een effectief gelijke kansen- en doelgroepenbeleid te kunnen voeren. Dat is niet compatibel met het opleggen van kwantitatieve voorwaarden voor vestigingsplaatsen.

5. Aansluiting op basisonderwijs

We vragen om de aansluiting op het basisonderwijs als erkenningsvoorwaarde voor vestigingsplaatsen met eerste en tweede graad te schrappen. Een erkende kunstacademie heeft o.i. de opdracht om binnen haar werkingsgebied en met de haar toegekende middelen zelf haar aanbod uit te bouwen. Aangezien de financiering rechtstreeks gekoppeld is aan het aantal financierbare leerlingen, zal dit er automatisch toe leiden dat dit op een zo efficiënt en effectief mogelijke manier gebeurt. Dat men hierbij aansluiting zoekt bij het basisonderwijs is logisch, maar wij willen dit niet decretaal verankerd zien zodat het geen belemmering kan zijn voor het voeren van een lokaal doelgroepenbeleid. Sommige kansengroepen kunnen gemakkelijker bereikbaar zijn via andere kanalen.

6. Leerlingen met een specifieke leervraag

Leerlingen (van 6 of 7 jaar) die een uitgesproken keuze voor een instrument hebben, moeten onmiddellijk kunnen starten met dat instrument. Het moet mogelijk zijn om specifieke instrumentinitiatie te integreren in de initiatiegraad en intussen ook de door de ontwikkelcommissie vastgelegde domeinoverschrijdende basiscompetenties te verwerven.
Ondanks herhaalde vraag van de sector worden de receptieve opties volledig buitengesloten. Nochtans bieden zij een uitstekende mogelijkheid om dit interdisciplinair in te vullen!

7. Verplicht ‘interdisciplinair project’ in de derde en vierde graad

  • We zien interdisciplinariteit als een meerwaarde voor het deeltijds kunstonderwijs. Onder ‘interdisciplinariteit’ verstaan we echter niet alleen een kruisbestuiving tussen domeinen onderling, maar ook tussen opleidingen binnen hetzelfde domein en tussen keuzemogelijkheden binnen dezelfde opleiding.
  • In plaats van een verplicht interdisciplinair project in de derde én de vierde graad, menen wij dat het raadzaam is de interdisciplinariteit in te bedden in de te verwerven eindcompetenties van de derde/vierde graad. Het behoort tot de lokale autonomie om te bepalen hoe deze competenties worden bereikt en hoe de interdisciplinariteit wordt gerealiseerd. Een interdisciplinair project behoort tot de mogelijkheden, maar de betreffende competenties kunnen net zo goed op een andere manier worden bereikt (cfr. afstudeerproject GIP (geïntegreerde proef) in het KSO). De leerplannen en het toezicht van de inspectie op de te behalen eindcompetenties staan garant voor een kwaliteitsvolle implementatie.

8. Reservejaar

De leerlingen hebben slechts recht op één reservejaar. We vragen echter om voldoende ruimte in te bouwen in geval van overmacht. Enkel wie het reservejaar niet heeft ingezet, kan kiezen voor één jaar verdieping of een terugkommoment. Voor ons moet elke afgestudeerde leerling recht hebben op terugkommomenten, ongeacht of hij het reservejaar al dan niet heeft moeten gebruiken.

9. Brussel

We blijven de bijzondere Brusselse situatie bewaken. De Brusselse academies bevinden zich in een zeer specifieke situatie met op hetzelfde grondgebied zowel Nederlandstalige als Franstalige DKO-instellingen. Bovendien bevinden zich in de Brusselse Rand zowel Brusselse als niet-Brusselse vestigingsplaatsen. Dit alles heeft invloed op de onderlinge concurrentiepositie van de academies. Deze nota heeft een grote impact op het Nederlandstalig DKO. Voor de Brusselse academies brengt dit bijzondere bezorgdheden met zich mee en dit in eerste instantie op het vlak van:

  • de mogelijke impact van het inschrijvingsgeld (ten aanzien van de Franstalige regeling);
  • de organiseerbaarheid van kunstacademies in een landschap waarin drie netten actief zijn die niet per definitie alle disciplines aanbieden.

10. Timing

Om de vernieuwing kans op slagen te geven, is het essentieel dat onze besturen en academies voldoende tijd hebben om zich grondig op de implementatie voor te bereiden. Het voorbereidend denkproces is op een degelijke manier gevoerd. Dat moet worden gecontinueerd in het verdere traject. De regelgeving moet rekening kunnen houden met de evaluaties van de pilootprojecten. De timing moet onder andere tijd voorzien voor de competentie- en attitudeontwikkeling bij het personeel, voor de begeleiding en het ontwikkelen van een eigen opleidingsstructuur en trajecten in de academie. We pleiten ervoor om minstens één volledig schooljaar de tijd te laten tussen het stemmen van de regelgeving en de ingangsdatum van de vernieuwingen. Een goede voorbereidingstijd is de meest cruciale factor om de vernieuwing te laten slagen. Een eventuele faseerde invoering is voor ons duidelijk ondergeschikt hieraan.

Essentiële sleutels ontbreken

De discussietekst geeft de grote lijnen voor de inhoudelijke vernieuwing van het DKO. We hebben echter geen zicht op een aantal wezenlijke sleutels zoals:

  • de grootte van de puntenenveloppen voor het bestuurs- of beleidspersoneel en het ondersteunend personeel,
  • de rationalisatie- en programmatienormen,
  • de werkingsmiddelen.

Een aanpassing in de inschrijvingsgelden zou mee vertaald moeten kunnen worden in een aanpassing van de werkingsmiddelen. Zie ook onze bedenkingen bij het item inschrijvingsgeld en PPS-fonds.

Steden en gemeenten spelen niet alleen een prominente rol als inrichter van het deeltijds kunstonderwijs, maar ook als financierder ervan. Zij dragen de infrastructuurkosten, de kosten voor toezicht en extra personeel. De omvorming van academies tot volwaardige kunstacademies met het aanbieden van alle graden tegen 2020 zal uitsluitend kunnen worden gerealiseerd als de steden en gemeenten bereid zijn om bijkomende infrastructurele inspanningen te leveren. Deze legislatuur kan niet worden ingegaan op onze vraag naar een subsidiëring van de DKO-infrastructuur via Agion. Om de kunstacademie maximale slaagkansen te geven, vragen we een uitdrukkelijk engagement van de overheid om op termijn de slagkracht van de inrichtende machten te vergroten in verhouding tot de inbreng die nodig is om tegen 2020 tot een kunstacademie te kunnen evolueren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door de leerlingen van het deeltijds kunstonderwijs toch via bepaalde parameters te laten meetellen voor de verrekening van de subsidiëring van schoolgebouwen.

Tot slot: we kunnen het voorstel voor de vernieuwing van het deeltijds kunstonderwijs pas in zijn totaliteit beoordelen als we alle elementen kennen.

Eerstvolgende nascholingen

    Blijf op de hoogte

    e-zine voor stedelijk en gemeentelijk onderwijs