Het curriculum voor de basisschool bestaat uit negen herkenbare leergebieden. Elk leergebied is verder uitgewerkt in leerlijnen die stapsgewijs beschrijven hoe een leerling groeit.
Het curriculum voor de basisschool bestaat uit negen leergebieden. Voor elk leergebied is een visie ontwikkeld die vertrekt vanuit enkele uitgangspunten.
De overgang van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar vormt een belangrijk scharniermoment in de onderwijsloopbaan van een kind. Om deze periode op een kansrijke manier te laten verlopen, werkt Leer Lokaal met verbindende doelen.
Leren kent een consecutieve opbouw. Leer Lokaal drukt deze groei uit in doorlopende leerlijnen via een spiraalcurriculum (Bruner, 1960).
De leerlijnen beschrijven stapsgewijs hoe de leerling groeit. Er is veel aandacht voor herhaling, nieuwe leerstof wordt gekoppeld aan eerder gegeven leerstof en de complexiteit neemt toe.
Naast de basisleerlijnen zijn er ook ondersteunings- en verdiepingsleerlijnen.
Principes van een spiraalcurriculum:
De doelen in Leer Lokaal lees je van onder naar boven. Onderaan vind je eenvoudige doelen en hoe hoger je in de leerlijn klimt, hoe complexer de doelen worden. De leerlijn beschrijft stapsgewijs hoe je groeit in de leerlijn. Leer Lokaal geeft aan in welke leeftijdsperiode je nieuwe doelen aanbiedt. Als kinderen in een ander tempo evolueren, biedt de leerlijn – los van de leeftijd – ondersteuning bij de opbouw van het curriculum voor deze leerlingen (bv. met een IAC-verslag).
| FASE | DOELGROEP |
|---|---|
uitbreidingsfase |
leerlingen(groepen) die verder gaan dan de inhouden uit Leer Lokaal |
fase 4 |
10 tot 11-jarigen (5e en 6e leerjaar) |
fase 3 |
7 tot 9-jarigen (2e, 3e en 4e leerjaar) |
fase 2 |
5 tot 6-jarigen (leerplichtige kleuters en 1e leerjaar) |
fase 1 |
2,5 tot 4-jarigen (niet-leerplichtige kleuters tot en met de 2e kleuterklas) |
aanloopfase |
leerlingen met een IAC-verslag |
Leer Lokaal werkt met vier leeftijdsfases omdat dat beter aansluit bij de ontwikkeling van leerlingen. Het geeft schoolteams meer autonomie om zelf keuzes te maken volgens hun context, doelgroep en pedagogisch project.
Het curriculum van Leer Lokaal is opgebouwd uit een basisleerlijn (B), een ondersteuningsleerlijn (O) en een verdiepingsleerlijn (V).
De basisleerlijnen vormen het vastgelegde leerplan; ze zijn goedgekeurd door de Vlaamse Regering. De basisleerlijn bevat doelen die opbouwen naar de ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Deze leerlijnen kunnen niet worden aangepast door de gebruikers. De doelen die verder gaan dan de eindtermen staan cursief.
De ondersteuningsleerlijn en de verdiepingsleerlijn ondersteunen de leerkracht bij het realiseren van de basisleerlijn. Hier worden tussendoelen, tussenstappen en aanvullende doelen aangereikt. Zo maakt Leer Lokaal het mogelijk om met een diverse klasgroep om te gaan.
Leer Lokaal beschrijft conform de principes van een spiraalcurriculum wanneer nieuwe leerstof wordt aangeboden. Wanneer leerlingen die leerstof moeten beheersen, wordt niet specifiek aangeduid.
Leer Lokaal werkt in een consecutieve opbouw naar de ontwikkelingsdoelen en eindtermen toe. Leerlingen moeten die beheersen op het einde van het basisonderwijs. In fase 4 wordt minder nieuwe leerstof aangebracht. Volgens het spiraalcurriculum betekent dit dat de onderwijstijd hier vooral wordt gebruikt om eerder aangebrachte leerstof verder en dieper in te oefenen.
Daarnaast geldt het principe dat je een complexer doel aanbrengt op het moment dat de leerlingen de onderliggende doelen met dezelfde inhoud beheersen. Een doel krijgt meestal een complexer opvolgend doel na een periode van twee jaar.
OVSG pleit voor kansrijke overgangen en heeft bijzondere aandacht voor de overstap van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar. In fase 2 van het leerplan worden verbindende doelen geformuleerd. Die doelen houden rekening met de leernoden van de leerlingen. Leerplichtige kleuters die de vooropgezette doelen in onvoldoende mate bereiken, oefenen verder in het eerste leerjaar. De leraar houdt rekening met de onderwijsbehoeften en speelt hierop in door in te zetten op een continue ontwikkeling en een rijk klasaanbod.
De verbindende doelen in fase twee:
Werken met verbindende doelen nodigt leraren uit tot gesprek over de onderwijsleerpraktijk (aanbod, differentiatie, evaluatie), over de klasorganisatie en over de leerlingenbegeleiding. Vanuit noden van leerlingen worden afspraken gemaakt over de continuering van leerstofonderdelen of het aanbieden van nieuwe of complexere doelen voor leerlingen die hier nood aan hebben.
De na te streven minimumdoelen werden in de leerlijnen zichtbaar opgenomen. Deze lijken een extra cesuur te plaatsen op leerlingenniveau. De scholen streven na om zoveel mogelijk doelen op populatieniveau te bereiken in het eerste leerjaar. Leerplichtige kleuters en leerlingen in het eerste leerjaar kunnen dus verder werken aan deze doelen.