Handvatten voor beleid rond basisgeletterdheid

Basisgeletterdheid omvat de essentiële competenties die leerlingen nodig hebben om informatie te begrijpen, te verwerken en doelgericht te gebruiken in hun dagelijks leven en verdere schoolloopbaan. Op deze pagina vind je handvatten om als schoolteam doelgericht te werken aan taalvaardigheid, numerieke vaardigheden en digitale competenties in de eerste graad secundair onderwijs.

Logo Leer Lokaal SO

Wat is basisgeletterdheid?

Basisgeletterdheid is noodzakelijk om zelfstandig te functioneren, deel te nemen aan de samenleving en verder te leren. Volgens het Strategisch Plan Geletterdheid (Vlaamse Regering) gaat het om de competenties die leerlingen nodig hebben om informatie te verwerven, te verwerken en doelgericht te gebruiken. 

Dat omvat:

  • taalvaardigheid,
  • cijfer- en grafische vaardigheden,
  • digitale competentie.

Voor de eerste graad secundair onderwijs zijn eindtermen basisgeletterdheid vastgelegd. Deze gelden voor alle leerlingen in zowel A- als B-stroom en moeten in principe door elke leerling bereikt worden tegen het einde van de eerste graad. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad gemotiveerd beslissen hiervan af te wijken.

De eindtermen basisgeletterdheid vormen een minimumdoel dat leerlingen voorbereidt op de tweede graad, ongeacht de studierichting of finaliteit.

Basisgeletterdheid als schoolteam

Het realiseren van basisgeletterdheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van het hele schoolteam. Een gezamenlijke visie en duidelijke afspraken zijn essentieel.

Belangrijke uitgangspunten:

  • Werk schoolbreed en gelijkgericht.
  • Veranker basisgeletterdheid in bestaande leerlijnen.
  • Gebruik begeleidende klassenraden om vorderingen systematisch op te volgen.

Taalkrachtig leren

Binnen Leer Lokaal SO staat taalkrachtig leren centraal. De focus ligt onder meer op:

  • begrijpend lezen en luisteren,
  • notities maken,
  • gebruik van vak- en schooltaal,
  • kritisch omgaan met informatiebronnen.

Door hier als team in de eerste graad consequent op in te zetten, werk je tegelijk aan de eindtermen basisgeletterdheid.

Opvolging en ondersteuning

Wanneer leerlingen de eindtermen nog niet bereiken:

  • breng hun sterke en zwakke punten in kaart;
  • organiseer extra oefenkansen, ook in andere vakken;
  • maak duidelijke afspraken over wie ondersteunt en opvolgt.

De klassenraad speelt hierin een centrale rol.

De verplichte taalscreening biedt waardevolle informatie over het taalniveau van leerlingen. Het advies extra taallessen dat wordt gegeven in het basisonderwijs is eveneens een belangrijke parameter die de beeldvorming rond basisgeletterdheid versterkt.

Op basis hiervan:

  • analyseert het team de beginsituatie;
  • formuleert het gerichte maatregelen;
  • kiest het voor extra ondersteuning binnen Nederlands en/​of een geïntegreerde aanpak in alle vakken.

Voor OKAN-leerlingen kunnen de doelen basisgeletterdheid richtinggevend zijn naast de ontwikkelingsdoelen. Ze bieden houvast bij het selecteren en ontwerpen van lesmateriaal ter voorbereiding op doorstroom.

Communicatie met ouders

Scholen beschikken over twee schooljaren om basisgeletterdheid te realiseren. Het is aangewezen om:

  • ouders aan het einde van het eerste leerjaar te informeren;
  • bij instroom in het tweede leerjaar opnieuw te screenen.

De delibererende klassenraad neemt de finale beslissing over het al dan niet behalen van de eindtermen op het einde van de eerste graad.

Basisgeletterdheid in de klaspraktijk

Binnen Leer Lokaal SO is basisgeletterdheid geïntegreerd in de leerlijnen van de sleutelcompetenties. Via een spiraalcurriculum werken leraren toe naar zowel de eindtermen basisgeletterdheid als de eindtermen basisvorming.

Belangrijk voor leraren:

  • Werk vanuit de leerplandoelen: wie deze realiseert, werkt automatisch aan basisgeletterdheid.
  • Ken de relatie tussen eindtermen basisvorming en basisgeletterdheid.

Relaties tussen eindtermen

Nederlands

Eindtermen A-stroom Eindtermen basisgeletterdheid Eindtermen B-stroom

02.01 De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

BG02.01 De leerling haalt bij het lezen en luisteren doelgericht het onderwerp en relevante informatie uit niet-fictionele teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

02.01 De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

02.03De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

08.06 De leerlingen vergelijken historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag.

08.02 De leerlingen vergelijken aangereikte bronnen over eenzelfde historisch fenomeen met aandacht voor de maker(s) van de bronnen.

11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden.

11.01De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden.

13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.

13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.

02.05 De leerlingen spreken en schrijven doelgericht.

  • Minimumvereisten voor productie
  • Met behulp van ondersteunende middelen

BG02.02 De leerling spreekt en schrijft doelgericht in eenvoudige communicatieve situaties.

  • Minimumvereisten voor productie
  • Met behulp van ondersteunende middelen

02.04 De leerlingen spreken en schrijven doelgericht in eenvoudige communicatieve situaties.

  • Minimumvereisten voor productie
  • Met behulp van ondersteunende middelen

02.07 De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.

  • Tekstkenmerken voor receptie
  • Minimumvereisten voor productie

BG02.03 De leerling neemt doelgericht deel aan eenvoudige mondelinge en schriftelijke interactie.

  • Tekstkenmerken voor receptie
  • Minimumvereisten voor productie

02.06 De leerlingen nemen doelgericht deel aan eenvoudige mondelinge en schriftelijke interactie.

  • Tekstkenmerken voor receptie
  • Minimumvereisten voor productie

07.04 De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.

07.04 De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.

Digitale competenties

Eindtermen A-stroom Eindtermen basisgeletterdheid Eindtermen B-stroom

04.01 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitaal te communiceren.

BG 04.01 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteit van toepassingen om digitaal te communiceren.

04.01 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitaal te communiceren.

04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren.

BG 04.02 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren.

04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren.

04.03 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur.

BG 04.03 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur.

04.03 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur.

Wiskunde

Eindtermen A-stroom Eindtermen basisgeletterdheid Eindtermen B-stroom

06.01 De leerlingen rekenen met natuurlijke, gehele en rationale getallen.

BG06.01 De leerling voert met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met natuurlijke, positieve decimale getallen met maximaal 2 cijfers na de komma, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten.

06.02 De leerlingen voeren met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met gehele getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten.

06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.

06.03 De leerlingen ronden zinvol af en schatten resultaten van bewerkingen in betekenisvolle contexten.

06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.

06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.

04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren.

04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren.

06.41 De leerlingen gebruiken gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave.

BG06.02 De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in betekenisvolle contexten.

06.26 De leerlingen gebruiken gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave.

06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.

06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.

06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.

06.23 De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de eerste graad.

06.15 De leerlingen analyseren recht en omgekeerd evenredige verbanden tussen grootheden.

06.18 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid.

06.15 De leerlingen analyseren recht en omgekeerd evenredige verbanden tussen grootheden.

BG06.03 De leerling gebruikt informatie uit eenvoudige tabellen en diagrammen in betekenisvolle contexten.

06.10 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid in betekenisvolle contexten.

06.18 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid.

06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.

06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.

02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.

  • Tekstkenmerken voor receptie

09.08 De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in.

09.05 De leerlingen zetten geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in.

11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden.

11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden.

13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.

13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier.

06.08 De leerlingen berekenen omtrek en oppervlakte van vlakke figuren: driehoek, trapezium, parallellogram, ruit, rechthoek, vierkant en cirkel.

BG06.04 De leerling berekent de omtrek van een vierhoek en de oppervlakte van een rechthoek in betekenisvolle contexten.

06.06 De leerlingen berekenen omtrek en oppervlakte van vlakke figuren in betekenisvolle contexten.

06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken.

06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten.

06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken.

06.23 De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de eerste graad.

Heb je een vraag?

Peter De Langhe
02 506 41 76
Peter De Langhe

Verdiep je verder