Basisgeletterdheid omvat de essentiële competenties die leerlingen nodig hebben om informatie te begrijpen, te verwerken en doelgericht te gebruiken in hun dagelijks leven en verdere schoolloopbaan. Op deze pagina vind je handvatten om als schoolteam doelgericht te werken aan taalvaardigheid, numerieke vaardigheden en digitale competenties in de eerste graad secundair onderwijs.
Basisgeletterdheid is noodzakelijk om zelfstandig te functioneren, deel te nemen aan de samenleving en verder te leren. Volgens het Strategisch Plan Geletterdheid (Vlaamse Regering) gaat het om de competenties die leerlingen nodig hebben om informatie te verwerven, te verwerken en doelgericht te gebruiken.
Dat omvat:
Voor de eerste graad secundair onderwijs zijn eindtermen basisgeletterdheid vastgelegd. Deze gelden voor alle leerlingen in zowel A- als B-stroom en moeten in principe door elke leerling bereikt worden tegen het einde van de eerste graad. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de klassenraad gemotiveerd beslissen hiervan af te wijken.
De eindtermen basisgeletterdheid vormen een minimumdoel dat leerlingen voorbereidt op de tweede graad, ongeacht de studierichting of finaliteit.
Het realiseren van basisgeletterdheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van het hele schoolteam. Een gezamenlijke visie en duidelijke afspraken zijn essentieel.
Belangrijke uitgangspunten:
Binnen Leer Lokaal SO staat taalkrachtig leren centraal. De focus ligt onder meer op:
Door hier als team in de eerste graad consequent op in te zetten, werk je tegelijk aan de eindtermen basisgeletterdheid.
Wanneer leerlingen de eindtermen nog niet bereiken:
De klassenraad speelt hierin een centrale rol.
De verplichte taalscreening biedt waardevolle informatie over het taalniveau van leerlingen. Het advies extra taallessen dat wordt gegeven in het basisonderwijs is eveneens een belangrijke parameter die de beeldvorming rond basisgeletterdheid versterkt.
Op basis hiervan:
Voor OKAN-leerlingen kunnen de doelen basisgeletterdheid richtinggevend zijn naast de ontwikkelingsdoelen. Ze bieden houvast bij het selecteren en ontwerpen van lesmateriaal ter voorbereiding op doorstroom.
Scholen beschikken over twee schooljaren om basisgeletterdheid te realiseren. Het is aangewezen om:
De delibererende klassenraad neemt de finale beslissing over het al dan niet behalen van de eindtermen op het einde van de eerste graad.
Binnen Leer Lokaal SO is basisgeletterdheid geïntegreerd in de leerlijnen van de sleutelcompetenties. Via een spiraalcurriculum werken leraren toe naar zowel de eindtermen basisgeletterdheid als de eindtermen basisvorming.
| Eindtermen A-stroom | Eindtermen basisgeletterdheid | Eindtermen B-stroom |
|---|---|---|
02.01 De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
|
BG02.01 De leerling haalt bij het lezen en luisteren doelgericht het onderwerp en relevante informatie uit niet-fictionele teksten.
|
02.01 De leerlingen bepalen het onderwerp, de hoofdgedachte en de hoofdpunten bij het doelgericht lezen en beluisteren van teksten.
|
02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
|
02.03De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
|
|
08.06 De leerlingen vergelijken historische bronnen met betrekking tot de bestudeerde periodes in functie van een historische vraag. |
08.02 De leerlingen vergelijken aangereikte bronnen over eenzelfde historisch fenomeen met aandacht voor de maker(s) van de bronnen. |
|
11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden. |
11.01De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden. |
|
13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier. |
13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier. |
|
02.05 De leerlingen spreken en schrijven doelgericht.
|
BG02.02 De leerling spreekt en schrijft doelgericht in eenvoudige communicatieve situaties.
|
02.04 De leerlingen spreken en schrijven doelgericht in eenvoudige communicatieve situaties.
|
02.07 De leerlingen nemen doelgericht deel aan mondelinge en schriftelijke interactie.
|
BG02.03 De leerling neemt doelgericht deel aan eenvoudige mondelinge en schriftelijke interactie.
|
02.06 De leerlingen nemen doelgericht deel aan eenvoudige mondelinge en schriftelijke interactie.
|
07.04 De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s. |
07.04 De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s. |
| Eindtermen A-stroom | Eindtermen basisgeletterdheid | Eindtermen B-stroom |
|---|---|---|
04.01 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitaal te communiceren. |
BG 04.01 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteit van toepassingen om digitaal te communiceren. |
04.01 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitaal te communiceren. |
04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren. |
BG 04.02 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren. |
04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren. |
04.03 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur. |
BG 04.03 De leerling gebruikt doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur. |
04.03 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te beheren aan de hand van een aangereikte structuur. |
| Eindtermen A-stroom | Eindtermen basisgeletterdheid | Eindtermen B-stroom |
|---|---|---|
06.01 De leerlingen rekenen met natuurlijke, gehele en rationale getallen. |
BG06.01 De leerling voert met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met natuurlijke, positieve decimale getallen met maximaal 2 cijfers na de komma, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten. |
06.02 De leerlingen voeren met functioneel gebruik van ICT eenvoudige berekeningen uit met gehele getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen in betekenisvolle contexten. |
06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken. |
06.03 De leerlingen ronden zinvol af en schatten resultaten van bewerkingen in betekenisvolle contexten. |
|
06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken. |
06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten. |
|
04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren. |
04.02 De leerlingen gebruiken doelgericht basisfunctionaliteiten van toepassingen om digitale inhouden te creëren. |
|
06.41 De leerlingen gebruiken gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave. |
BG06.02 De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in betekenisvolle contexten. |
06.26 De leerlingen gebruiken gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave. |
06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken. |
06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten. |
|
06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken. |
||
06.23 De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de eerste graad. |
||
06.15 De leerlingen analyseren recht en omgekeerd evenredige verbanden tussen grootheden. |
||
06.18 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid. |
||
06.15 De leerlingen analyseren recht en omgekeerd evenredige verbanden tussen grootheden. |
BG06.03 De leerling gebruikt informatie uit eenvoudige tabellen en diagrammen in betekenisvolle contexten. |
06.10 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid in betekenisvolle contexten. |
06.18 De leerlingen voeren een beschrijvend statistisch onderzoek uit met niet-gegroepeerde gegevens van één grootheid. |
||
06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken. |
06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten. |
|
02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
|
02.03 De leerlingen selecteren relevante informatie bij het lezen en beluisteren van teksten.
|
|
09.08 De leerlingen zetten terreintechnieken en geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in. |
09.05 De leerlingen zetten geografische hulpbronnen met inbegrip van GIS-viewers functioneel in. |
|
11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden. |
11.01 De leerlingen beargumenteren hun keuzegedrag bij aankopen rekening houdend met hun behoeften, met een persoonlijk budget en een beschikbaar gezinsbudget en met factoren die hun koopgedrag beïnvloeden. |
|
13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier. |
13.04 De leerlingen zoeken doelgericht informatie in diverse bronnen en verwerken die op een kritische en systematische manier. |
|
06.08 De leerlingen berekenen omtrek en oppervlakte van vlakke figuren: driehoek, trapezium, parallellogram, ruit, rechthoek, vierkant en cirkel. |
BG06.04 De leerling berekent de omtrek van een vierhoek en de oppervlakte van een rechthoek in betekenisvolle contexten. |
06.06 De leerlingen berekenen omtrek en oppervlakte van vlakke figuren in betekenisvolle contexten. |
06.21 De leerlingen lossen vraagstukken en problemen op door te mathematiseren en demathematiseren en door gebruik te maken van heuristieken. |
06.11 De leerlingen lossen vanuit betekenisvolle contexten problemen op door wiskundige concepten en vaardigheden in te zetten. |
|
06.22 De leerlingen gebruiken ICT om berekeningen uit te voeren en grafische voorstellingen te maken. |
||
06.23 De leerlingen beschrijven fenomenen uit de realiteit aan de hand van wiskundige concepten uit de eerste graad. |