In principe moet degene die schade veroorzaakt door zijn fout, deze schade vergoeden (potje breken is potje betalen, artikel 6.5 B.W.), maar er zijn uitzonderingen.
Iedereen kan in de fout gaan: natuurlijke personen (vb. leerlingen, leerkrachten, directeur, ouders, vrijwilligers,…) of rechtspersonen (vb. schoolbestuur, …). Het is ook mogelijk dat verschillende personen tegelijk in de fout gaan. Hierbij kan dan sprake zijn van dezelfde fout of van een opeenstapeling van verschillende fouten. Dit zal steeds moeten worden nagegaan.
Sinds 1 januari is er een nieuwe leeftijdsgrens van 12 jaar:
Leerlingen kunnen dus ook op basis hiervan worden aangesproken. Zij zijn persoonlijk gehouden tot het betalen van een schadevergoeding. De rechter kan oordelen dat de minderjarige zelf geen of slechts een beperkte schadevergoeding moet betalen. Hij houdt hierbij rekening met de financiële en economische toestand van de minderjarige en de schadelijder.
Als een verzekeringsovereenkomst de schade dekt, mag de rechter de schadevergoeding niet verlagen tot minder dan wat de verzekering dekt. De rechter mag de vergoeding dan ook niet schrappen.
De leeftijdsgrens staat los van de schuldbekwaamheid en geldt dus ook bij bv. een mentale beperking of ernstige psychische problematiek.
Ook de zogenaamde titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de fouten van de minderjarige.
Het gaat in de eerste plaats om de ouders. Volgens het nieuwe artikel 6.12 B.W. wordt er een onderscheid gemaakt tussen:
Er wordt niet alleen gekeken naar de feitelijke omstandigheden. Bijvoorbeeld bij een scheiding kan het gebeuren dat een ouder op het moment van het schadeverwekkend feit het gezag niet uitoefent. Om aansprakelijk te zijn volstaat het dat men titularis is van het gezag.
Dezelfde regeling geldt ook voor adoptanten, voogden en pleegzorgers.
Het nieuwe artikel 6.13 B.W. voert een weerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid in voor wie toezicht houdt op anderen, naast dat van de ouders voor hun kinderen vanaf 16 jaar.
De persoon die op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling, een gerechtelijke of administratieve beslissing of een contract, ermee belast is op globale (opvoeding, huisvesting, voeding,…) en duurzame (ononderbroken) wijze de levenswijze van andere personen te organiseren en controleren (zoals instellingen voor geesteszieken en gesloten instellingen voor minderjarigen), is aansprakelijk voor de schade die deze laatsten door hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit veroorzaken aan derden terwijl zij onder hun toezicht staan. Hij is niet aansprakelijk als hij aantoont dat de schade niet te wijten is aan een fout in zijn toezicht (art. 6.13, eerste lid B.W.).
Het nieuwe Burgerlijk Wetboek (B.W.) heeft de aansprakelijkheid van onderwijzers vervangen door die van onderwijsinstellingen. Een school, centrum of academie is aansprakelijk voor de schade die haar leerlingen door hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit aan derden veroorzaken tijdens het toezicht. Dit geldt tenzij de instelling kan bewijzen dat er geen gebrek of fout in haar toezicht was (weerlegbaar vermoeden) (art. 6.13, tweede lid B.W.).
Het nieuwe Artikel 6.14, §2 B.W. bepaalt dat een rechtspersoon van publiek recht (bv. het schoolbestuur) foutloos aansprakelijk is voor schade die zijn personeelsleden tijdens of naar aanleiding van hun functie, als gevolg van hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit, aan derden veroorzaken. Het gaat hierbij om een onweerlegbaar vermoeden. Dit betekent dat het schoolbestuur zich niet van zijn aansprakelijkheid kan bevrijden, zelfs niet door aan te tonen dat het zelf geen fout heeft begaan. Dit geldt eveneens als de toestand van de personeelsleden statutair is geregeld of als zij gehandeld hebben in de uitoefening van de openbare macht.
Dit artikel vervangt het vroegere artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van personeelsleden van openbare rechtspersonen.
Een publieke rechtspersoon zoals een gemeentebestuur is aansprakelijk voor schade die zijn organen of leden van zijn organen die geen deel uitmaken van het personeel, als gevolg van hun fout, veroorzaken tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van hun functie. Het gaat dus om alle leden van alle organen: bv. van gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen,…
Personeelsleden kunnen enkel aansprakelijk worden gesteld in drie gevallen:
Ook vrijwilligers en leerlingen-stagiairs genieten een vergelijkbare inperking van hun aansprakelijkheid, vastgelegd in artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 en artikel 123⁄20 van de Codex Secundair Onderwijs.
We helpen je graag verder. Contacteer de juridische dienst voor jouw onderwijsniveau.