De afgelopen maanden verwelkomden veel scholen Oekraïense leerlingen op de klasbanken. Zo ook GBS Beuk & Noot in Zoersel. Een verhaal van springen, vallen, opstaan en weer doorgaan. En af en toe een hilarisch misverstand.
Tot voor kort had de school weinig ervaring met anderstalige leerlingen. “Heel sporadisch kwam het eens voor, waardoor ons verhaal telkens opnieuw werd geschreven op maat van het kind. Zo konden we altijd veel ondersteuning geven en meestal waren dat succesverhalen”, zeggen Machteld Bogaerts en Heidi Deturck, het directieteam van GBS Beuk & Noot. Toen de Russische inval in Oekraïne begon, wist men ook in Zoersel dat er vluchtelingen aankwamen. Er heerste een yes-we-can-sfeer, de gemeente stelde enkele leegstaande panden ter beschikking aan Oekraïense gezinnen, en zo kwamen de eerste kinderen naar school.
Veel tijd voor voorbereiding was er niet. “Op donderdag kregen we te horen dat vijf Oekraïense leerlingen naar onze school zouden komen en op vrijdag stonden ze er al”, vertelt Heidi ons. “De leerkrachten namen hun taak direct ter harte: ze gaven de kinderen een rondleiding en uitleg met behulp van vertaalapps en ze stelden een buddy aan in de klas. Ook de moeders waren welkom. Wij vreesden dat ze door de traumatische vlucht hun kinderen niet graag zouden achterlaten en gingen ervan uit dat zij graag mee zouden draaien op school. We dachten dat dit hen zou geruststellen, maar eigenlijk blijken ze veel vertrouwen te hebben. Het contact met hen verloopt warm, ze zijn heel dankbaar. Ze willen betrokken en goed geïnformeerd worden, maar ze laten de praktische invulling en het onderwijs over aan de school.”
De meeste Oekraïense leerlingen kwamen per twee in een klas terecht, zodat ze op elkaar konden terugvallen. Na enkele weken werd duidelijk dat de focus op welbevinden en warm onthaal niet meer volstond. “De mama’s worstelden met onze zachte aanpak. Ze begrepen niet waarom hun kinderen geen huiswerk kregen en vreesden dat ze achterstand gingen oplopen”, vertelt Machteld. “Zo leerden we dat het onderwijs in Oekraïne heel anders werkt: strenger gestuurd van bovenaf. Het werd dus tijd om onze doelen aan te passen. Aan goed lesmateriaal geen gebrek, OVSG en andere organisaties bieden veel aan, maar aan leraren helaas wel. We moeten dus creatief zijn: de meeste tijd zitten de leerlingen in hun eigen klas, een aantal collega’s nemen in hun takenpakket eveneens de zorg voor hen op en we werken ook met enkele vrijwilligers. Gelukkig komt een van hen uit Wit-Rusland. Net zoals de meeste Oekraïners spreekt zij ook Russisch, waardoor ze onze vaste tolk is geworden. Zo hebben we geleerd dat cava voor Oekraïners toch een ander drankje is dan voor ons, namelijk koffie. We keken even raar op toen een van de moeders daar ’s ochtends naar vroeg.” (lacht)
Ondanks de goede wil loopt niet alles van een leien dakje. De meeste vrijwilligers op school zijn gepensioneerd en hebben hobby’s en vakantieplannen. Ze hebben geen pedagogisch diploma, waardoor zorgcoördinator Anja Van Immerseel veel tijd steekt in het wekelijks aanpassen van het lessenrooster en het voorbereiden van lespakketten. Anja vertelt: “We hebben drie Oekraïense leerlingen in het tweede leerjaar en twee in het vijfde. In het tweede leerjaar gaat het makkelijker, onze aanpak sluit daar nauw aan bij de noden van anderstalige kinderen. Leraren gebruiken prenten en spellen woorden. In een vijfde leerjaar is alles talig, behalve cijferen en hoofdrekenen.”
Ook in de houding zijn er grote verschillen. Kathleen De Coninck, leraar in het vijfde leerjaar, vertelt: “In het tweede leerjaar kunnen kinderen zich af en toe even ontspannen met knutselen of tekenen, maar de leerlingen van het vijfde vinden dat tijdverspilling en willen echt iets leren. Als dat niet lukt, worden ze rebels. Die jongens zijn echte tieners. Als ze een wiskundetaak krijgen die te makkelijk is, weigeren ze die gewoon.” Machteld vult aan: “Het zijn kinderen met een sterke wil. Ze dagen de leraar uit en eisen aandacht op, soms op een extreme manier met ongepast taalgebruik. Ze denken dat we het toch niet begrijpen, maar via vertaalapps bereikt het ons wel. Zoiets kunnen we uiteraard niet tolereren, net zoals we dat niet aanvaarden van andere kinderen.”
Wat heel vlot verliep, was de integratie van de leerlingen in de klasgroep. “De kinderen hebben hen echt omarmd. Via het spelen integreren de nieuwe leerlingen zich makkelijk op de speelplaats. De jongens vonden elkaar in gesprekken over computerspelletjes”, vertelt Kathleen. “Vaak praten ze in een soort ‘Tiktok-Engels’. Dat is niet bepaald het beste Engels, maar het werkt.”
De buddy speelt een belangrijke rol. “Voor één jongen is dat echt zijn steunpilaar geworden. Ik had de buddy heel bewust gekozen: een jongen met een zorgzaam karakter die zelf al heel wat meegemaakt heeft.” Soms moet juf Kathleen voor filter spelen, want de klasgenoten zitten met veel vragen over de oorlog. “Zij zien de oorlog via het nieuws op Ketnet. Ik maak dan duidelijk wat we wel of niet kunnen vragen, want kinderen kunnen heel direct zijn. Bijvoorbeeld vragen of ze lijken gezien hebben.”
Eind dit schooljaar verwelkomde de school nog een zesde leerling uit Oekraïne. Nu het steeds duidelijker wordt dat het Russische leger hun land niet snel zal verlaten, vragen veel Oekraïners zich af wat ze zullen doen. “Een moeder vertelde ons dat ze binnenkort wil terugkeren, want de vader is nog daar. Een andere mama heeft geen partner meer en overweegt te blijven,” zegt Machteld.
De kans bestaat dat in september meer Oekraïense leerlingen hun weg vinden naar onze scholen: kleuters die nu nog hun mama blijven of kinderen die voorlopig afstandsonderwijs volgen vanuit hun thuisschool. Ook in Zoersel weten ze niet wat de toekomst brengt. Heidi besluit: “Het is geen eenvoudige opdracht, zeker niet omdat we nog maar net aan het bekomen waren van twee coronajaren, maar het is mooi om te zien hoe gemotiveerd de leraren blijven. Als er morgen nog kinderen aankomen, zal er ongetwijfeld een plekje zijn in onze klassen. Ze zijn welkom.”