In het kader van Ieder kind taalheld zijn er een aantal bijkomende aspecten waarmee je rekening moet houden bij de overgang van het ene onderwijsniveau naar het andere: van kleuter naar lager en van lager naar secundair.
Bij het uitreiken van het getuigschrift basisonderwijs kan de klassenraad basisonderwijs beslissen dat de leerling drie uur extra Nederlands moet krijgen als die overstapt naar het secundair maar nog niet voldoende taalcompetent is.
Om taalcompetentie te meten pleiten we voor een brede evaluatie, waarbij de leerling in de loop van een schooljaar verschillende functionele en betekenisvolle taken uitvoert die taalcompetentie tonen. De leraar observeert en evalueert het bereiken van de minimumdoelen Nederlands.
Hiervoor kun je werken met de doelen opgenomen in de rubric of beoordelingsmatrix. Op het einde van het schooljaar worden de verschillende meetuitkomsten geanalyseerd en geclusterd. De klassenraad oordeelt over de leervorderingen en de leeruitkomsten. Tot slot wordt er een eindevaluatie uitgesproken. De klassenraad oordeelt of de leerling voldoende taalcompetent is of dat de leerling extra taalremediëring nodig heeft bij aanvang van het secundair onderwijs.