In elke werkomgeving moet aandacht zijn voor welzijn, veiligheid en gezondheid van het personeel. In het geval van scholen, centra en academies geldt dat uiteraard ook voor de leerlingen. Bij een doorlichting heeft de onderwijsinspectie aandacht voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. Wie zorgt hiervoor, en wat doet deze persoon exact? Een conclusie geven we alvast mee: de directeur staat er niet alleen voor. De interne en externe preventieadviseurs zijn er om jou te helpen.
Heel wat mensen zorgen op een of andere manier voor het welzijn van het personeel in een onderwijsinstelling. Op de eerste plaats staat het schoolbestuur, dat het welzijnsbeleid in je onderwijsinstelling moet uitwerken en (laten) uitvoeren. Het is de hoofdverantwoordelijke voor een doeltreffende preventie. Om dat te realiseren doet het bestuur een beroep op de zogenaamde hiërarchische lijn. Dat slaat op alle niveaus binnen de hiërarchie van je onderwijsinstelling: schoolbestuur, directeur, technisch adviseur, … behoren tot de hiërarchische lijn zoals bepaald in de welzijnswet. De interne dienst voor preventie en bescherming op het werk helpt je bestuur, de leden van de hiërarchische lijn, jou en je collega’s bij de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen.
Klinkt allemaal mooi in theorie, maar in de praktijk heeft een kleine gemeente of school vaak geen interne preventieadviseur. In dat geval kan het bestuur een beroep doen op andere diensten, zoals een Intercommunale, om een interne preventieadviseur aan te stellen. Deze ondersteunt de directeur en eventueel het personeelslid dat op school eerste aanspreekpunt is. Dat was ook het geval bij Dries Naulaers en Bart Jonkers. Vandaag zijn zij OVSG-collega’s, maar tot voor kort was Dries nog directeur van een basisschool en Bart van een academie. Dries vertelt: “Als directeur initieerde ik het overleg over preventie zelf. Ik deed dat structureel drie keer per jaar. Onze interne preventieadviseur, aangesteld vanuit de intercommunale IGEAN, was daar altijd bij, samen met iemand van de technische dienst van de gemeente en een collega die op school de preventiewerking mee opvolgde.”
Niet elke school heeft een eigen interne preventieadviseur, maar elke gemeente kan wel een interne preventieadviseur aanstellen. Als gemeenteschool kan je uiteraard een beroep doen op deze persoon. Deze persoon kent de wet, en is een belangrijke partner van de directie en van de beleidsmedewerker. Je staat er als school of directeur dus zeker niet alleen voor. Bart vat het goed samen: “Je moet als directeur of interne preventieadviseur niet alle regeltjes kennen, je moet het proces bewaken en het personeel meenemen in het verhaal. Behalve het organiseren van het overleg is het jouw taak om te documenteren, bijvoorbeeld de relevante attesten bijhouden, en te attenderen, bijvoorbeeld het doorgeven van een mankement aan de technische dienst. Je volgt ook op of alles effectief wordt uitgevoerd.”
Scholen en academies kunnen ook beroep doen op een externe dienst preventie en bescherming op het werk, zoals IDEWE. Via een jaarlijkse rondgang in alle gemeentelijke gebouwen waken zij mee over de veiligheid van alle gebruikers. Aandachtspunten worden door de interne preventieadviseur mee opgenomen in het Globaal preventieplan (GPP). Van daaruit worden prioriteiten aangegeven en wordt er verder vormgegeven aan het jaarlijks actieplan (JAP).
In de praktijk loopt de samenwerking soms stroef, moet ook Dries toegeven. “Soms wordt de, van buitenaf aangestelde, interne preventieadviseur door directies ten onterechte beschouwd als een lastpost of schoonmoeder. Terwijl het eigenlijk je eerste partner is bij vragen of probleemsituaties. De regelgeving verandert voortdurend. Als directeur kan je dat niet opvolgen. Net daarom is die nabije interne preventieadviseur zo belangrijk. Vooral tijdens de pandemie was die voor mij echt onmisbaar.”
Dat laatste beaamt Nico Dandoi, interne preventieadviseur bij IGEAN, volledig. “Tijdens de pandemie stond onze telefoon niet stil. Mag dit? Mag dat? Die periode heeft ons geholpen om contacten te leggen met directies die we voordien zelden of nooit hoorden. Scholen, centra en academies weten nu waarom we er zijn. Het is belangrijk om die contacten periodiek te onderhouden. Zo houden we de aandacht voor welzijn op het werk levendig. Het is niet onze taak om het vingertje vermanend in de lucht te steken, en te zeggen wat niet mag, maar om te kijken wat we kunnen doen om het welzijn en de veiligheid van iedereen te verbeteren. Kleine aanpassingen zijn vaak voldoende, zoals het plaatsen van strepen op de grond waarachter de boekentassen moeten blijven staan, zodat er voldoende ruimte in de gang is bij evacuatie. Het regelmatig overlopen van het globaal preventieplan en het jaarlijks actieplan voorkomt dat je bij een inspectieronde holderdebolder dingen moet veranderen, of dat je slechte punten scoort bij een doorlichting met zaken die heel gemakkelijk te voorkomen waren.”