Problemen met inloggen?
Stuur een mailtje naar communicatie@ovsg.be
(Vermeld duidelijk over welk platform het gaat.)

 

Standpunt van OVSG over de conceptnota ‘Krijtlijnen voor een hervorming van de leerlingenbegeleiding in Vlaanderen’

donderdag 28 januari 2016

1.Context

Begin vorig jaar startte een audit over de werking van de CLB’s, waarbij alle relevante actoren bevraagd werden. Naast de audit gebeurde ook een wetenschappelijke review van de opdracht van de CLB’s. De resultaten hiervan liggen aan de basis van de conceptnota die de krachtlijnen voor een nieuw decreet over leerlingenbegeleiding uittekent. In het vooropgestelde tijdspad wordt een brede consultatie van alle betrokken actoren via de commissie onderwijs/welzijn voorzien, waarna een tweede conceptnota in juni 2016 klaar zou moeten zijn. De overheid voorziet dat het nieuwe decreet in voege gaat op 1 september 2018.

2.Krijtlijnen voor een hervorming van de leerlingenbegeleiding in Vlaanderen

2.1 Krachtlijn 1: zorgcontinuüm en handelingsgericht werken

OVSG deelt de visie dat leerlingenbegeleiding verloopt  via een zorgcontinuüm, waarbij de mate van individualisering van zorg verhoogt van brede basiszorg over verhoogde zorg naar uitbreiding van zorg. Kwaliteitsvolle  leerlingenbegeleiding  vertrekt  vanuit  een  handelingsgericht  kader  en  de  uitgangspunten die daarbij vooropgesteld worden.

2.2 Krachtlijn 2: actoren binnen de leerlingenbegeleiding

2.2.1 Rol van de school

Een school werkt aan de interne leerlingenbegeleiding via een duidelijke en gedragen zorgvisie die tot stand is gekomen via een participatief proces (leerlingen,  ouders,  schoolteam,  CLB  en  pedagogische begeleiding). De  school  blijft  echter  eigenaar  van  haar  zorgvisie  en zorgbeleid. De  zorgvisie  van de school  wordt voor OVSG  het best ingebed in het pedagogisch project en het schoolwerkplan.

Hierbij vindt OVSG het belangrijk dat een duidelijk profiel van de ‘zorgverantwoordelijke’ wordt uitgewerkt en dat er een professionaliseringstraject wordt uitgezet. In het basisonderwijs bestaat het ambt van zorgcoördinator, in het secundair onderwijs bestaat dit momenteel niet. Als de overheid dit in de beide niveaus wil realiseren, moeten bijkomende middelen voor het secundair onderwijs worden voorzien.

Het voeren van een zorgbeleid wil de overheid als een erkenningsvoorwaarde voor scholen formuleren. De inspectie zal de naleving van deze voorwaarde meenemen tijdens de schooldoorlichtingen. De overheid wil nagaan in hoeverre de doorlichtingen van scholen en CLB’s samengenomen kunnen worden. Het is momenteel onduidelijk hoe men zal omgaan met de opvolging van een negatieve doorlichting, valt dit onder de verantwoordelijkheid van de school , van het CLB of van beide?  

De school is een belangrijke setting om de gezondheidsdoelstellingen  (en in het bijzonder deze die te maken hebben met middelengebruik, voeding en beweging en suïcidepreventie) te bereiken. Scholen en CLB kunnen hiervoor een beroep doen op partnerorganisaties en o.a. op het lokaal gezondheidsoverleg (de Logo’s). Dergelijke acties bereiken alleen maar hun doel als ze vraaggericht ontwikkeld worden, zodat het gezondheidsbeleid op school afgestemd kan worden op de noden van de leerlingen.

2.2.2 Rol van de leerling en de ouders

Leerlingen (en ouders) worden betrokken bij de ontwikkeling, implementatie en evaluatie van de zorgvisie en het zorgbeleid. Ouders kennen de zorgvisie en het zorgbeleid van de school en staan hierachter. Zij worden betrokken wanneer verhoogde zorg nodig is.

2.2.3 Rol van het CLB

Men stelt in de nota dat CLB’s niet in alles gespecialiseerd kunnen zijn en dat ze best onderling samenwerken om tegemoet te komen aan de vragen en noden van ouders. Dit betekent dat de centra zich organiseren vanuit een basisaanbod en dat ze werken via ankerfiguren die werkzaam zijn in een beperkt aantal scholen. Dit wil men realiseren door duidelijk te definiëren wat de basiswerking is om zo de uniformiteit tussen de CLB’s en de begeleiding van leerlingen te kunnen bewerkstelligen.

Voor de vorming van deze ankerfiguren stelt men een meer specifiek opleidingscurriculum  voorop,  dat  zich  toespitst  op  het  uitbouwen  van  sociale  relaties  met  verschillende  actoren  en probleemidentificatie. . In het auditrapport suggereert men om een aparte opleiding voor CLB-medewerkers te voorzien.

Men wil dat het CLB  zijn permanentiemomenten uitbreidt  naar  alle  voorziene  vakantieperiodes en na de werkuren, zodat de centra meer bereikbaar zijn voor leerlingen, ouders en leerkrachten. Momenteel organiseren de centra al permanenties in de herfstvakantie, de kerstvakantie, de krokusvakantie, de eerste helft van juli en de laatste helft van augustus.  Een analyse van de soort vragen en de frequentie ervan kan inzicht geven in de kosten-baten van deze permanenties. Bijkomend betekent dit ook dat de interne leerlingbegeleider van de school op deze momenten bereikbaar moet zijn.

In functie van een efficiënte organisatie (cf. boekhouding, infrastructuur, expertise …), gelijkgerichtheid en onafhankelijkheid geeft de nota aan dat een meer structurele, netonafhankelijke samenwerking tussen CLB’s van cruciaal belang is.  Voor  leerlingen die vaak van school veranderen (en vaak van net) komt de continuïteit van de begeleiding in het gedrang. Door netoverschrijdend te werken kan voor deze leerlingen, die vaak vervroegd de school dreigen te verlaten, de leerlingbegeleiding efficiënter verlopen. In de inleiding van de nota benadrukt de overheid tevens dat in het regeerakkoord in het kader van de ‘vrijekeuzeschool’, de voorwaarde om met een officieel CLB samen te werken, geschrapt wordt. Ter informatie: zowat de helft van de leerlingen die ingeschreven zijn in een OVSG school, wordt begeleid door een vrij CLB. De centra van het GO!  begeleiden 1 op 10 leerlingen uit OVSG-scholen (zie grafiek 1). OVSG pleit dan ook voor een herziening van de regelgeving voor de CLB’s vanuit een neutrale en onafhankelijke setting.

2.2.4 Rol pedagogische begeleidingsdienst (PBD)

Het auditrapport concludeert dat nood is aan (centrale) sturing op het vlak van sleutelprocessen, organisatiestructuur, navorming voor specifieke problematieken, financiering, contacten met externen, marketing, communicatie met belanghebbenden, bij voorkeur geholpen door een nieuw decreet. Men stelt in de audit voor dat de koepels (PBD) scholen en CLB’s begeleiden bij een gericht personeelsbeleid waarbij aanwervingsprocedures, opleidingsprogramma’s, coaching en evaluaties elkaar ondersteunen om medewerkers ertoe te brengen dat ze de processen op een gelijkgerichte manier uitvoeren. De PBD ondersteunt scholen bij de uitvoering van hun opdracht binnen de brede basiszorg en bouwt deze ondersteuning uit op basis van het beleidscontract/plan tussen scholen en centra voor leerlingengebeleiding. 

2.3 Krachtlijn 3: begeleidingsdomeinen en taken

Verder geeft de nota aan dat de verschillende rollen binnen de vier begeleidingsdomeinen duidelijk afgebakend moeten worden, en dat hier in overleg met de betrokken actoren een concrete rolverdeling bepaald zal worden.

2.4 Krachtlijn 4: samenwerking en communicatie

Bijkomend geeft de nota aan dat het belangrijk is dat CLB’s inzetten op doelgroepspecifieke communicatiekanalen waarbij o.a. gedacht wordt aan de ontwikkeling van een overkoepelend online platform waar ouders, leerlingen, … vragen kunnen stellen. Dit platform bestaat vandaag reeds.

M.b.t. de samenwerking tussen school en CLB  moet het beleidscontract of -plan meer als een werkinstrument ingezet worden, waarbij een goede informatiedoorstroming naar leraren en schoolteams een belangrijk aandachtspunt is. Op dit moment is de afsprakennota een belangrijk instrument, waarin de samenwerking tussen school en CLB wordt omschreven. Het is niet duidelijk hoe men deze afsprakennota in de toekomst ziet. Voor OVSG is de afsprakennota bijzonder belangrijk omdat gemeentelijke scholen vaak samenwerken met centra van het GO! of met vrije centra voor leerlingenbegeleiding. De afsprakennota is een krachtig instrument om de nodige garanties voor een optimale werking te bekomen. Ze wordt het best opgesteld onder de vorm van een actieplan dat periodiek geëvalueerd kan worden en waarin de doelstellingen, rollen en taken van elke partner duidelijk zijn bepaald. Belangrijk is alvast dat het principe van een afsprakennota blijft bestaan.

2.5 Krachtlijn 5: draaischijffunctie en samenwerking met de hulpverlening

Het CLB zorgt nu al voor de coördinatie tussen het centrum, de school en externe partners wanneer gespecialiseerde hulp nodig is. In de nota wijst men op  het  belang  van  gedeelde  standaarden en gemeenschappelijke kaders op een continuüm tussen onderwijs- en welzijn ...  Deze draaischijffunctie omvat ook het onderwijskundig vertalen van het hulpverleningstraject dat individuele jongeren kunnen doorlopen. Een gemeenschappelijk zorgdossier kan hier volgens de nota toe bijdragen. Hierbij moeten deontologische kwesties, zoals het ambts- en beroepsgeheim, uitgeklaard worden.

In de nota wordt voor OVSG echter te weinig aandacht besteed aan de bestaande knelpunten in de Integrale Jeugdhulp. Het is belangrijk dat het CLB zijn rol kan blijven opnemen binnen Integrale Jeugdhulp, maar dan moet IJH dit wel mogelijk maken voor de centra en de huidige werking bijsturen. Dat is voor de CLB’s een conditio sine qua non. Anders kan de CLB-rol binnen IJH nooit efficiënt en effectief worden ingevuld.

Daarnaast wordt in de nota vaak verwezen naar samenwerking en complementariteit met hulpverlening. Het is de vraag hoe dit wordt ingevuld. De private hulpverlening kan bv. niet beschouwd worden als een verlengde van het continuüm. We moeten kunnen garanderen dat ieder kind in Vlaanderen de hulp krijgt die het nodig heeft. Daarom is het belangrijk om de definitie van private hulpverlening goed af te bakenen.

2.6 Krachtlijn 6: verhouding vraag en aanbod van samenwerking tot schaalvergroting

Door gelijkgerichtheid te vertalen naar het sterk stroomlijnen van verschillende processen op het niveau van de koepels en/of de sector, lijkt de schaalvergroting de facto netoverstijgend te moeten worden. De centra voor leerlingenbegeleiding moeten voor OVSG onafhankelijke instanties zijn die losstaan van elke netstructuur. Hoewel CLB’s nu al zo moeten werken, blijft het aangewezen om hun onafhankelijkheid te versterken. Dat heeft niet alleen te maken met hun netgebondenheid. Momenteel zijn de centra afhankelijk van het aantal scholen dat met hen een contract wil sluiten, terwijl ze eigenlijk te allen tijde en ondubbelzinnig het belang van de leerling voorop zouden moeten stellen. Bij de leerlingenoriëntering (bv. bij overgang basis- naar secundair onderwijs, al dan niet attesteren naar buitengewoon onderwijs) hebben de centra er dan ook voordeel bij om leerlingen te oriënteren naar scholen die ze zelf begeleiden. Om elke schijn van mogelijke belangenvermenging te vermijden, zou er per regio slechts één netonafhankelijk CLB mogen zijn dat alle scholen in dat gebied begeleidt. Het is evident dat het CLB-landschap op deze manier ook veel overzichtelijker wordt voor de gebruiker. Ook binnen de integrale jeugdhulp is een onafhankelijke dienstverlening van belang.

2.7 Krachtlijn 7: verhouding preventieve en curatieve werking

De nota geeft aan dat de preventieve werking opnieuw een meer centrale rol moet krijgen. Men pleit er voor om in het kader van kostenefficiëntie meer groepsgericht te werken. Men wil de invulling van het domein preventieve gezondheidzorg evalueren, en de taken tussen artsen, paramedisch en verplegend personeel beter afbakenen. Hierbij wil men ook de samenwerking met andere actoren in de preventieve gezondheidszorg onderzoeken en overlappingen wegwerken.

OVSG vindt dat het domein van de preventieve gezondheidszorg te vaak verengd wordt tot de medische consulten. Het is belangrijk dat preventieve gezondheidszorg een verantwoordelijkheid van het CLB blijft, omwille van de signaaldetectie en de multidisciplinaire werking. Het domein preventieve gezondheidszorg staat gelijk met het hele veld van de jeugdgezondheidszorg.

2.8 Krachtlijn 8: Informatie-uitwisseling en deontologie

Men wil in samenwerking met de sector bekijken of de definitie van het beroepsgeheim adequaat ingevuld kan worden. Een gemeenschappelijk zorgdossier wordt onderdeel van de draaischijffunctie van het CLB (zie boven). Hierbij moet rekening gehouden worden met de privacywetgeving, patiëntenrechten, het decreet Integrale Jeugdhulp, het decreet rechtspositie, …. Hierbij neemt men ook de ontwikkeling van CLB als multidisciplinair team voor het VAPH mee.

De voorwaarden die de CLB’s stellen om tot gemeenschappelijk zorgdossier te komen, zijn dat de privacywetgeving en het beroepsgeheim van het CLB gewaarborgd blijven en dat de overheid hierin een trekkersrol en zijn verantwoordelijkheid opneemt.

Het ontwikkelen van een gemeenschappelijk zorgdossier vraagt een duidelijk kader m.b.t. het beroepsgeheim van interne leerlingenbegeleiders, CLB-medewerkers en externe hulpverleners.  In het algemeen moet duidelijk aangegeven worden wat van de interne leerlingenbegeleider wordt verwacht, wat zijn of haar rol is, welke professionaliseringskansen hij krijgt, welk profiel, beroeps- of ambtsgeheim etc. De deontologie van een interne leerlingenbegeleider kan niet dezelfde zijn als die van het CLB. 

2.9 Krachtlijn 9: kwaliteitszorg

Op verschillende plaatsen in de nota heeft men oog voor de competentieontwikkeling van de interne leerlingenbegeleiders en CLB-medewerkers. Hoe men deze competentieontwikkeling ziet en wie hier welke rol in opneemt blijft onduidelijk. Wanneer men een opleidingstraject wenst uit te tekenen dan zal men hiervoor de nodige middelen moeten voorzien.

Continuïteit in de leerlingenbegeleiding is eveneens aangewezen. Dit kan als beleidsvoerende parameter meegenomen worden in het kader van kwaliteitszorg. Het gezamenlijk inspecteren van scholen en CLB: wat bij een negatief resultaat, wie is waar verantwoordelijk voor bij de opvolging?

2.10 Krachtlijn 10: omkadering

De hele hervorming moet een budgetneutrale operatie zijn. Men wil komen tot een eenvoudig en transparant omkaderingssysteem. Ook wil men via incentives bijdragen tot de verhoging van kwaliteit, flexibiliteit, efficiëntie en effectiviteit door bv. schaalvergroting en samenwerking tussen CLB’s en externe partners te stimuleren.

Hierbij stellen we de vraag of het werken met een gesloten enveloppe kan worden aangehouden omdat:

  • men alleen maar tot een herverdeling van de middelen kan komen op basis van nieuwe criteria, met sowieso winnaars en verliezers tot gevolg;
  • een gesloten financieringssysteem de concurrentie tussen CLB’s verhoogt terwijl men juist de samenwerking tussen CLB’s wil versterken;
  • het bedrag per leerling uitgehold wordt door de stijging van het aantal te begeleiden leerlingen en
  • de toegenomen opdrachten tot gevolg hebben dat de kerntaken van het  CLB onder druk komen te staan.

3.Tot slot

OVSG vindt het in dit kader positief dat men tracht de verschillende rollen op het vlak van leerlingenbegeleiding scherp te stellen. De rol van de pedagogische begeleiding ten aanzien van de CLB’s, de school en externe actoren blijft echter onduidelijk. Deze onduidelijkheid ontstaat doordat men de rollen en taken zeer sterk wil afbakenen vanuit de premisse dat voor elke taak binnen leerlingbegeleiding slechts één actor verantwoordelijkheid draagt. Het zorgcontinuüm moet hierbij het vertrekpunt vormen. In de nota wordt weinig aandacht besteed aan de relatie tot/de rol van het buitengewoon onderwijs en Gon. Nochtans is ook hier, door de invoering van het M-decreet, nood aan een duidelijk kader voor leerlingenbegeleiding en een duidelijke rolverdeling tussen de verschillende actoren.

Brussel, 28 januari 2016

Eerstvolgende nascholingen

    Blijf op de hoogte

    e-zine voor stedelijk en gemeentelijk onderwijs