Problemen met inloggen?
Stuur een mailtje naar communicatie@ovsg.be
(Vermeld duidelijk over welk platform het gaat.)

 

OVSG gaat niet akkoord met het ontwerp van onderwijsdecreet XXII

donderdag 12 juli 2012

In het secundair onderwijs kunnen individuele scholen, ook zij die zich – om welke reden ook – niet bij een scholengemeenschap aansluiten, niet langer het zgn. ‘OKAN’ (onthaaljaar anderstalige nieuwkomers) programmeren. De overheid ziet dit als een ‘voordeel’ van de scholengemeenschap. OVSG begrijpt echter niet dat scholen die wel aan alle subsidie- en erkenningsvoorwaarden voldoen, worden uitgesloten van OKAN-programmatie louter en alleen omdat zij zich niet verenigen op de wijze die de overheid wenselijk acht.
Los van de discussies of scholengemeenschappen wel het geschikte niveau zijn om de onderwijsbevoegdheid op te verankeren (quod non) en of deze maatregel geen voorafname is (uiteraard wel) op het nakende debat over de rol van scholengemeenschappen, stelt zich de vraag in hoeverre deze maatregel verenigbaar is met de grondwettelijke principes hieromtrent.

Wij blijven er tevens van overtuigd dat leerlinggebonden middelen, conform het subsidiariteitsprincipe, moeten toekomen op het niveau waar ook de leerlingen zich bevinden: de school. Indien het in een concrete situatie wenselijk is die middelen naar een hoger niveau als de scholengemeenschap over te brengen, blijft de lokale inrichtende macht het meest geschikt om die inschatting te maken. De programmatie van OKAN vormt geen uitzondering op dit basisprincipe.

Het voorontwerp voorziet ook dat de Vlaamse gemeenschap zich als subsidiërende overheid actief gaat inlaten met de begeleiding en ondersteuning van scholen. Dit als mede-oprichter en lid van de Raad van Bestuur van een vzw die zich zal richten naar talenbeleid vertrekkend vanuit de Brusselse situatie naar een aanpak ‘Vlaanderen breed’.
De overheid opteert hier volgende – quasi-unaniem goedgekeurde – passage uit het VLOR-advies te negeren: “De initiatief druist enerzijds in tegen de principes van pedagogische vrijheid en anderzijds de faciliterende netoverstijgende rol die de overheid wenst in te nemen.”

Na de federalisering van de onderwijsmaterie werd aan Nederlandstalige kant resoluut gekozen om de Gemeenschapsinstanties niet langer inrichter te laten zijn, maar te vertrouwen op de inrichtende machten en hun ondersteunende diensten; daartoe werden neteigen pedagogische begeleidingsdiensten opgericht. Voor de controle werd geopteerd af te zien van procescontrole en de inspectie te laten toekijken op de output.
Hoewel deze basisprincipes vrij recent herbevestigd werden in het kwaliteitsdecreet, lijken noch de overheid, noch haar agentschappen steeds minder aan de verleiding te weerstaan om in die vrije ruimte van de inrichters in te breken en sturend op te treden. Naast de reguliere pedagogische begeleidingsdiensten worden, meestal overigens zonder gemeenschappelijk draagvlak, steeds meer ‘aanvullende’ instanties opgericht.

Niettegenstaande zijn de netgebonden begeleidingsdiensten bereid om, al dan niet via hun samenwerkingsverband, de vooropgestelde ondersteuning in talenbeleid op zich te nemen. Toch verkiest de overheid haar middelen verder te versnipperen en bovendien het risico te nemen dat de ontwikkelde ondersteuning niet inpasbaar zal zijn in het pedagogisch project en de leerplannen van de scholen.

In het volwassenenonderwijs wordt het behalen van bepaalde diploma’s afhankelijk gesteld van een externe certificator. Wij verwijzen naar ons protocol bij onderwijsdecreet XXI waar een soortgelijke bepaling werd ingevoerd voor het secundair onderwijs. Wij herhalen dat men bij dergelijke certificering slechts de toegang tot één beroep(scategorie) voor ogen heeft. Dit doet afbreuk aan het breed vormend karakter van ons onderwijssysteem.

De betrokkenheid van de vertegenwoordigers van de centrumbesturen bij het vastleggen van de lijst van de betrokken structuuronderdelen, naar analogie met het engagement dat de overheid bij onderwijsdecreet XXI aanging voor het secundair onderwijs, is voor ons een conditio sine qua non.

Ook betreuren wij de afschaffing van het ‘naamloos leerjaar’ in het BSO vanaf 1 september 2014. Er is immers geen meerwaarde om de desbetreffende scholen aan de vooravond van de hervorming van het globale secundair onderwijs tot dergelijke reorganisatie te dwingen. Wij hopen dan ook dat één en ander geen voorbode is van bijgestelde ambities omtrent die hervorming.

Wat de uitbreiding van het zgn. Tivoli-systeem betreft, kan OVSG zich vinden in het voor het leerplicht bereikte compromis.
Wat het DKO betreft, wordt het tekorten aan werkingsmiddelen en (vnl. administratief) personeel erkend. De mogelijkheid om personeel aan te stellen met eigen middelen, en deze op te nemen in het decreet rechtspositie, zien wij als de eerste stap. Bij de verdere uitwerking van het aangekondigde DKO-decreet zullen wij niet nalaten de problematiek van het tekort aan gesubsidieerde omkadering verder aan de orde te stellen.

Eerstvolgende nascholingen

    Blijf op de hoogte

    e-zine voor stedelijk en gemeentelijk onderwijs