Hier kan je inloggen voor het extranet en lerarenplatform DKO.

Problemen met inloggen?
Stuur een mailtje naar communicatie@ovsg.be
(Vermeld duidelijk over welk platform het gaat.)

Zoek je attesten of lesmateriaal van een opleiding? Ga naar Mijn OVSG
Problemen? Stuur een mailtje naar nascholing@ovsg.be

Inloggen voor de OVSG-toets kan via de puntenmodule.

 

Naar een nieuwe, flexibele lerarenopleiding

donderdag 24 maart 2016

Om het onderwijs te bestaffen met goed opgeleide leraren die klaar zijn voor het onderwijs van de toekomst, hebben we een sterke lerarenopleiding nodig. Maar het leren van de leraar houdt natuurlijk niet op na de opleiding. Voortdurende professionalisering in de loop van de loopbaan, is net zo noodzakelijk. De lerarenopleiding vormt dus een eerste stap in het professioneel continuüm van het beroep van leraar. In dit professioneel continuüm is het opleiden van leraren een gedeelde verantwoordelijkheid van lerarenopleidingen, pedagogische begeleidingsdiensten, aanbieders van professionalisering en de scholen zelf.

Inleiding

Het regeerakkoord 2014-2019 stelt het verhogen van de ‘kwaliteit’ van de instroom in de lerarenopleidingen voorop.  Hoe is de situatie op dit moment? Op 15 december 2006 werd het decreet over de lerarenopleidingen in Vlaanderen goedgekeurd. Sindsdien kent Vlaanderen twee soorten lerarenopleidingen: de geïntegreerde lerarenopleiding, die wordt aangeboden door hogescholen, en de specifieke lerarenopleiding (SLO), die wordt aangeboden door hogescholen, universiteiten en centra voor volwassenenonderwijs. In 2013 gaf de commissie Biesta in haar evaluatierapport verschillende aanbevelingen om de lerarenopleidingen te verbeteren.

- De samenstelling van de studentenpopulatie is nog steeds geen afspiegeling van de maatschappij.

- De LIO(Leraar-in-opleiding)-baan is ‘in principe’ een goed initiatief om zij-instromers voor het secundair onderwijs aan te trekken. De commissie raadt aan om dit ook mogelijk te maken voor de opleidingen kleuter- en lager onderwijs.

- Stages brengen talrijke waardevolle leerkansen mee. Lerarenopleiders en scholen zijn evenwaardige partners voor de (praktijk-)opleiding van studenten en ze zijn hier beide verantwoordelijk voor.

N.a.v. de aanbevelingen van de commissie Biesta heeft de toenmalige minister van onderwijs, Pascal Smet, zes beleidsgroepen (instroom, aanvangsbegeleiding, SLO/educatieve master, inhoud en uitstroom en beroepsprofiel lerarenopleiders) opgericht die de aanbevelingen van de commissie moesten omzetten in concrete beleidsvoorstellen.

- Vier van de zes beleidsgroepen bevelen aan de initiële lerarenopleiding te verbinden met de professionalisering van leraren. Binnen  dit  continuüm  moet  duidelijk worden  welke  competenties, tot op welk beheersingsniveau op welk moment bereikt moeten worden.

- Er moet ingezet worden op bestaande en nieuwe strategieën die de instroom in alle initiële lerarenopleidingen breder en kwaliteitsvol maken.

- Scholen dragen zelf de verantwoordelijkheid voor de aanvangsbegeleiding van hun startende leraren, hierbij moet altijd aandacht besteed worden aan wegwijs-, werk- en leerbegeleiding.

- De  stage  start  in  de  initiële  opleiding  van  leraren,  maar  de competentieontwikkeling loopt in het idee van een professioneel continuüm, inhoudelijk voort in de aanvangsbegeleiding en de voortdurende professionalisering.

Aandachtspunten

Welke elementen wil OVSG meenemen in de gesprekken over de vernieuwde lerarenopleiding?

1          Voldoende stagekansen realiseren

Een leraar is altijd zowel domeinexpert als expert in het leraarschap. Beide elementen komen aan bod in het opleidingstraject van de leraar. Het opleiden van leraren is een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende actoren: de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten, de aanbieders van professionalisering en de scholen zelf.
De eindverantwoordelijkheid voor de stage ligt bij de lerarenopleiding en de verantwoordelijkheid voor de aanvangsbegeleiding ligt bij de school. Scholen moeten ervoor zorgen dat voldoende stagemogelijkheden en -plaatsen aangeboden kunnen worden aan kandidaat-leraren. Om dit te bereiken stelt OVSG voor dat de overheid scholen stimuleert om gedurende bepaalde periodes stageplaatsen te voorzien waarbij afwijkingen omwille van een bv. negatieve doorlichting, een jong lerarenteam … mogelijk zijn.

2          Een apart traject voor zij-instromers is nodig

Een belangrijke uitdaging is het verhogen van de instroom van kandidaat-leraren uit bepaalde doelgroepen (allochtonen, kansarmen …) die vandaag de dag te weinig of moeilijk toegang vinden tot de opleiding en het lerarenberoep. Alle lerarenopleidingen moeten toegankelijk zijn voor zowel (generatie-)studenten als voor zij-instromers. Zij-instroom is ook een belangrijk spoor voor praktijkleerkrachten die na enkele jaren ervaring in de praktijk willen overstappen naar het onderwijs. Een aparte aanpak voor zij-instromers noodzakelijk. Zij hebben immers nood aan flexibiliteit op het vlak van vrijstellingen, uurroosters, de organisatie van stages …Het moet mogelijk gemaakt worden voor zij-instromers dat ze via een specifiek traject ‘tijdelijk’ al lesgeven en tegelijk hun diploma behalen. 

3          De bestaande expertise maximaal benutten

De expertise die vandaag zowel in centra voor volwassenenonderwijs, in hogescholen, als op universiteiten aanwezig is, moet behouden blijven. Het ontwikkelprofiel  voor lerarenopleiders dat door de Vereniging voor Lerarenopleiders Vlaanderen (VELOV) ontwikkeld werd, vormt hierbij een goed vertrekpunt voor de aanwerving en professionalisering van lerarenopleiders. Bijkomend moeten lerarenopleiders die geïntegreerde vakdidactiek geven, een minimaal aantal jaren ervaring hebben in het leerplichtonderwijs.

4          Het belang van fijnmazigheid en kritische massa

De omvang van de lerarenopleiding moet voldoende groot zijn. Voldoende kritisch massa is noodzakelijk. Het is de vraag hoe men voldoende kritische massa kan vertalen. Dit betekent niet alleen dat aan één opleiding een minimaal aantal studenten ingeschreven moet zijn. Wanneer men vakdidactiek geïntegreerd wenst aan te bieden, dan betekent dit dat men per onderwijsvak (of cluster) een docent moet kunnen aanstellen met voldoende vakdidactische expertise. Het aantal studenten in het totaal van de opleidingen, moet aangevuld worden met de docent/student ratio per onderwijsvak/studiegebied. Om een voorbeeld te geven: men kan een geïntegreerde lerarenopleiding met honderd generatiestudenten en/of zij-instromers, die vakdidactiek inricht voor tien  onderwijsvakken, moeilijk efficiënt noemen. 

5          Aandacht voor de specifieke noden van het deeltijds kunstonderwijs

Tot nu toe werd in lerarenopleiding te weinig aandacht besteed aan de opleiding van  leerkrachten voor het deeltijds kunstonderwijs. Voor deze leerkrachten is de oprichting van een educatieve master noodzakelijk. 

adidas Yeezy kaufen

Eerstvolgende nascholingen

    Blijf op de hoogte

    e-zine voor stedelijk en gemeentelijk onderwijs